subscribe: Posts | Comments

Troonrede van 19 oktober 1846

Reacties uitgeschakeld voor Troonrede van 19 oktober 1846

Edel Mogende Heeren!

Bij het hervatten der belangrijke taak, welke door de Grondwet aan de Wetgevende Magt is opgedragen, verheugt het Mij aan U Edel Mogenden op nieuw de verzekering te kunnen geven, dat Onze betrekkingen met de andere Mogendheden zich door goede verstandhouding kenmerken.

De onderhandelingen met Rusland gevoerd, hebben het verlangde doel mogen bereiken, en de belangen der zoo aanzienlijke Nederlandsche scheepvaart op dat Keizerrijk zijn thans op de meest voldoende wijze gewaarborgd. Eene overeenkomst met Frankrijk aangegaan, tot opheffing van Scheepvaarts‐regten op den Rhijn, mag als eene nadere schrede beschouwd worden ter verkrijging eener algemeene vrijstelling van dien voornamen handelsweg.

Door het onlangs met België gesloten Tractaat van Handel en Scheepvaart, zijn de handelsbetrekkingen der beide Staten op eene billijke wijze geregeld, en, zooveel doenlijk was, van belemmeringen ontheven.

De moeijelijkheden, welke onze handel met de Vereenigde Staten van Noord‐Amerika heeft ondervonden, door de zware regten aldaar op het voornaamste onzer Koloniale producten gelegd, zijn op de meest wenschelijke wijze weggenomen.

Mijne bijzondere zorg blijft gewijd aan de welvaart der Overzeesche Bezittingen. Er hebben daar misgewassen plaats gehad, doch de uitzigten voor den nieuwen oogst waren gunstig.

Twee Vorsten van het Eiland Balie hadden onze vlag beleedigd en de tractaten geschonden. De dapperheid onzer Zee‐ en Landmagt heeft dien euvelmoed beteugeld, het miskend gezag hersteld en de belangen van scheepvaart en handel verzekerd.

Beide deelen der Krijgsmagt hebben bij voortduring aanspraak op Mijne goedkeuring.

De versterking van het Zeewezen door aanbouw van Stoomoorlogsschepen, maakt het onderwerp van overwegingen uit.

De onderscheidene takken van het Binnenlandsch Bestuur gaan voort regelmatig te werken.

Omtrent den staat van het Onderwijs en de beoefening van Wetenschappen en Kunsten, mag bij voortduring een gunstig getuigenis gegeven worden. Handel, Scheepvaart en verdere ondernemingen van Nijverheid, werden over het geheel met levendigheid gedreven, doch de uitkomsten waren niet allen even gunstig, ten gevolge van oorzaken, waarvan de druk mede overal elders werd gevoeld. De vermeerderde uitvoer van sommige onzer voortbrengselen, sedert korten tijd ontstaan, kan, zoo voortgaande, voor onze Landbouwers en Handelaars groote voordeelen opleveren.

De rampen, welke het misgewas van een der voornaamste voedingsmiddelen had kunnen te weeg brengen, zijn boven alle verwachting gelenigd, zoowel door het zachte jaargetijde, hetwelk de Voorzienigheid heeft geschonken, als door de maatregelen in overleg met U Edel Mogenden genomen, en door de meest lofwaardige algemeene medewerking.

Daar de oogst van het bedoelde gewas en van enkele andere veldvruchten ook in dit jaar minder overvloedig is geweest, is de aanvankelijke bestendiging der wettelijke bepalingen tot aanmoediging van den invoer van levensmiddelen raadzaam te achten, en zal zij een der eerste onderwerpen uitmaken, waarop de aandacht van U Edel Mogenden zal ingeroepen worden. Door herhaalde hooge waterstanden op de rivieren, mitsgaders door hooge zeevloeden en stormen, zijn in den afgeloopen winter aanmerkelijke schaden veroorzaakt, waarin heeft moeten worden voorzien.

De verschillende maatregelen tot herstel van ‘s Rijks geldmiddelen aangewend, hebben alsnu hunne volkomene uitvoering verkregen. Zij hebben aan de verwachting beantwoord, of die zelfs overtroffen.

In de tegenwoordige zitting zal de medewerking van U Edel Mogenden gevraagd worden tot vaststelling der Begrootingen en der Wet op de Middelen voor het aanstaande tweejarig tijdvak; zoo mede tot verdere bevestiging van orde en vereenvoudiging in het geldelijk beheer.

De verbetering van het Muntwezen heeft zeer aanmerkelijke vorderingen gemaakt, in die mate, dat het geheel herstel binnen een niet verwijderd tijdsverloop met vertrouwen mag worden te gemoet gezien. Om nogtans ons muntstelsel op hechte grondslagen te doen rusten, worden er nog wettelijke bepalingen gevorderd, welke, zoo Ik hoop, in den loop dezer zitting aan U Edel Mogenden zullen kunnen aangeboden worden.

Er zullen alsmede in deze zitting aan U Edel Mogenden worden ingediend ontwerpen van wet, bevattende het geheele Wetboek van Strafregt, waarbij acht geslagen is op de aanmerkingen zoowel laatstelijk als vroeger over dit onderwerp aan de Regering medegedeeld.

Zoodra Ik zal hebben goedgekeurd de voordragten, welke Ik binnen eenigen tijd te gemoet zie, betreffende het Binnenlandsch Bestuur, mitsgaders het te geven gevolg aan art. 6 der Grondwet, zullen de daartoe betrekkelijke wets‐ontwerpen bij U Edel Mogenden ter overweging gebragt worden.

Zonder dat Ik de overige wets‐ontwerpen vermelde, welke Uwe Vergadering zullen kunnen bezig houden, zal het aan U Edel Mogenden reeds gebleken zijn, dat het met aan gewigtigen arbeid zal ontbreken.

Wij allen, Edel Mogende Heeren! zullen daarbij slechts één doel voor oogen hebben: het waarachtig welzijn van het Vaderland. Om dat te bereiken zullen wij gewis onze vereenigde krachten inspannen, en Wij zullen ons daarvan door niets laten aftrekken. Moge de Almagtige onze pogingen ondersteunen, en, ook door de vruchten van onze werkzaamheden, Zijnen zegen over Nederland uitstorten.

Comments are closed.