subscribe: Posts | Comments

Troonrede van 20 oktober 1817

Reacties uitgeschakeld voor Troonrede van 20 oktober 1817

Edel Mogende Heeren!

Niet lang na den afloop uwer vorige zitting, is mijn Huis verblijd geworden door eene gebeurtenis, in welke al de ingezetenen des Rijks getoond hebben een zeer levendig deel te nemen. De geboorte van een’ erfgenaam heeft de vurigste wenschen van mijn’ beminden Zoon, den Prins van Oranje, vervuld en de banden naauwer toegehaald, welke zijne voortreffelijke Gemalin aan haar tweede vaderland verbinden. De opvoeding van dat dierbaar kind zal het voorwerp zijn der teederste en aanhoudendste zorgen, opdat hij, van jongs op, doordrongen van het gevoel zijner verpligtingen en van de zuiverste zucht voor de vrijheid en de welvaart zijner landgenooten, op de voor hem ontslotene loopbaan steeds verzeld zij van hun vertrouwen, achting en liefde.

De algemeene vrede is ongestoord gebleven, en elke dag bevestigt de overtuiging, dat de regeringen zoo wel als de volken, eenstemmig zijn in de begeerte, om dien te handhaven. Ik heb van mijne zijde niets verzuimd, van hetgeen strekken kan, om aan dit Rijk, en aan deszelfs inwoners, de welwillendheid der vreemde Mogendheden te verzekeren. in de omstandigheden, welke het gevolg geweest zijn van een zeer ongunstig jaargetij, en van welken de algoede Voorzienigheid, door een’ gezegenden oogst, nu het einde voorbereid heeft, is het lot der behoeftigen een bijzonder gewigtig voorwerp geworden van de aandacht des bestuurs.

Hun is, op vele plaatsen, van lands wege, arbeid verschaft, en, waar de nood het nijpendste was, onderstand: de meeste stedelijke regeringen hebben, met verstandigen ijver, tot leniging van dezen nood bijgedragen, en de mededeelzaamheld, die vereerende trek in het nationaal karakter, heeft schier alom gelijken tred gehouden met de klimmende behoefte.

Desniettegenstaande is, bij deze gelegenheid, meer dan ooit, het noodzakelijke gevoeld van algemeen werkende bepalingen omtrent het armenwezen, en het zal mij aangenaam zijn nog in deze zitting de grondslagen gelegd te zien, op welke dit gedeelte der administratie behoort te rusten.

Aan U Ed.Mog. zullen nog andere maatregelen worden voorgesteld, die insgelijks, volgens de bepalingen der Grondwet, moeten worden in werking gebragt, of die de ondervinding als heilzaam voor de industrie heeft doen kennen. Geene omstandigheid heeft deze meer benadeeld dan de duurte der levensmiddelen, welke het vertier der fabriekwaren, bij de talrijkste klassen der ingezetenen heeft doen stilstaan. Voornamelijk echter hebben de financien van het Rijk den ongunstigen invloed van dezen staat van zaken ondervonden. Aan de eene zijde hebben alle uitgaven, die met den prijs der levensmiddelen in verband staan, eene onvoorziene hoogte bereikt, en, aan de andere, is er eene groote vermindering geweest in hetgene voor de opbrengst der belastingen op het vertier geraamd was. Ook is, door het niet heffen eener belasting op het regt van Successie, een belangrijk te kort in de inkomsten ontstaan, welks aanvulling men niet uit het oog behoort te verliezen, ook dan zelfs wanneer ten deze door de nadere wet, die u zal worden voorgedragen, voor het vervolg zal zijn voorzien.

De grondwet heeft wijsselijk eene splitsing der Staatsuitgaven voorgeschreven.

Zoodra, dien ten gevolge, de noodige uitgaven naauwkeurig bekend en de middelen, tot dekking derzelve, zorgvuldig uitgekozen en bepaald zullen zijn, zal men zich gewaarborgd bevinden tegen de onevenredigheid tusschen behoeften en inkomsten. Het aanstaande jaar laat hieromtrent nog veel te wenschen over. Wij hebben te voorzien in de belangen van velen onzer landgenooten, die oude doch regtmatige vorderingen, ten laste van den Staat, kunnen doen gelden. Niet min aanzienlijke kosten vordert de bevestiging van het Zuidelijk frontier, en de noodzakelijkheid, om, ten deze, bepalingen te maken, welke den afioop van dat gewigtig werk in het daarvoor bepaalde aantaljaren verzekeren, kan des te minder worden betwist, daar de onderstand, op welken wij van buiten’s lands mogen rekenen, volgens de gemaakte verdragen, in verband en in evenredigheid staan zal met den omvang onzer eigene pogingen.

Bij de opgave, die U, niijnentwege, van deze verschillende behoeften en van de financiele maatregelen, die derzelver bestrijding vereischt, moet worden gedaan, zullen U Ed.Mog., hoop ik, bevinden, dat het bezwaar, welk daaruit voor ’s lands ingezetenen voortvloeijen zal, niet aanmerkelijk is in vergelijking met het nut, datwij te stichten, en met de grootheid der doeleinden, die Wij te bereiken hebben. Het ware overtollig voor een zoo belangrijk onderwerp de bijzondere aandacht in te roepen van eene vergadering, die reeds herhaaldelijk betoond heeft, niet minder angstvallig te zijn, dan ik zelf, waar het er op aan komt om de regten en belangen mijner waarde onderdanen met de behoeften van het algemeen bestuur te vereenigen.

De wet op de nationale militie is onlangs, voor de eerste reize, ten uitvoer gelegd, en U Ed.Mog. zuflen, zonder twijfel, met genoegen bespeurd hebben, hoe, bij deze ligting, orde en voortvarendheid zijn gepaard gegaan, en met welken ijver, in alle provincien, aan den eersten onzer pligten jegens het Vaderland, is voldaan.

De landbouw is in een’ bloeijenden toestand. De visscherijen, de koloniale vaart, de reederijen en alle daarmede in verband staande neringen, hebben in werkzaamheid toegenomen, en de vrijheid van den graanhandel ter zee, terwijl zij ten waarborg strekte tegen een mogelijk gebrek in onzen eigen boezem, en de broodprijzen hier te lande lager hield, dan bij onze naburen, heeft de nederlandsche havens bevestigd in het voorregt van te zijn de korenkamers van geheel Europa.

Middelerwijl zijn vesting- en haven-werken van het hoogste aanbelang, of met kracht begonnen en voortgezet, of zelfs voltooid; en meer dan ééne provincie heeft groote wegen zien aanleggen, naar welke hare ijverigste en verlichtste inwoners jaren lang te vergeefs hadden gewenscht.

Eene edele geestdrift, die ik het niij ten pligt make te onderhouden en aan te kweeken, is allerwege de ontluiking der schoone kunsten te gemoet gekomen. De uitbreiding van het lager onderwijs is, zoo veel het de middelen en omstandigheden veroorloofden, bevorderd of voorbereid, en de vreugdebetuigingen, onder welke de oprigting van drie hooge scholen, in het gedeelte des rijks, waar dezelve tot dusverre ontbraken, tot stand gebragt is, leveren een gunstig voorteeken van het heil, dat het opkomend geslacht en geheel Nederland van dezelve te verwachten hebben.

Nict gering dus is het getal der voorwerpen, op welke Wij met voldoening de oogen kunnen slaan, en des te geruster mogen Wij ons bezig houden met de overweging der middelen, die ons tijdelijke, en van ’s menschen wil en magt onafhankelijke bezwaren, moeten doen te boven komen. Maar hares besten waarborg ten dezen zoekt de natie in de eendragtige zamenwerking van den Koning en van de Staten Generaal.

Noch ik, noch gij, Ed.Mog. Heeren, wier gevoelens en voorbeeld een’ zoo krachtigen invloed hebben, zullen haar vertrouwen te leur stellen, en de verdere bevestiging van een maatschappelijk bestaan, op beginselen van vrijheid en orde gegrond, zal, onder den Goddelijken zegen, het loon zoo wel als de vrucht zijn van Onze onvermoeide pogingen.

Comments are closed.